Hommage aan Boris Vian
Jerôme hield zijn pas in en haalde het invitatiekaartje uit de binnenzak van zijn leren jas. In het licht van de straatlantaarn las hij nogmaals het adres: Boulevard Raspail, nummer 210, hoofdletter D. Hij draaide zich om en tastte met zijn ogen het pand af dat moe en afgesleten dienst deed als woning aan de kruising Boulevard Raspail en Rue de Rennes. Nummer 194. Dan was hij er bijna. Hij liet het kaartje achteloos uit zijn hand vallen. Het stroompje water dat langs de stoeprand eeuwig naar de Seine vloeide, nam het dankbaar met zich mee. Het licht stond op rood. Het verkeer op de Rue de Rennes passeerde razend de boulevard. De automobilist van Parijs geeft veel gas en heeft weinig tijd.
Dit arrondisement was hem goed bekend. Hij kwam er verleden jaar elke dag vanwege zijn werk. 210 was net als 194 een hoekpand. Het lag, in bouwstijl superieur aan de omringende panden, aan de kruising die de boulevard maakte met Rue de Fleurus, de straat die met een knikje naar het Jardin liep. Op een steenworp afstand van deze plek had Gertrude Stein gewoond. Nog voor dit knikje. Van haar had Jerôme ooit het drama van Dokter Faustus gelezen, althans doorgebladerd. De deurbel is een deurbel is een deurbel is een deurbel. Hij belde aan. Eer hij zijn koude hand terug in zijn jaszak stopte, liet hij hem glijden over het gladde vernis van de statige buitendeur.
Uit de telecom klonk de deftige stem van een Parisienne: “Wees welkom! U vindt ons op de derde etage. Wees niet bang voor de hond van de conciërge, hij bijt u slechts als u de tic heeft hem te aaien.” Op commando van enkele vrolijke tonen uit het tweede deel van Berlioz’ Symphonie Fantastique, opende Jerôme de deur. Met een lach om zijn mond liep hij de brede, ruim opgezette wenteltrap op. Zijn rechterhand liet hij weldoend over de houten leuning gaan.
In Jerômes hoofd dreef Herbert von Karajan het gewillige orkest en zijn romantische interpretatie van Berlioz naar grotere hoogtes… Jerome kende dit pronkstuk van de Franse muziek in al zijn bewegingen. Hij had er meerdere platen van. Maar het was Von Karajan, de oude Columbia met de gouden opdruk op het azuurblauwe label, zonder de tamme hond van de conciërge bij de grammofoonspeler, die hij uit gewoonte vlak voor het slapen gaan draaide. En wanneer hij niet alleen sliep, waren de briljante ingevingen van Berlioz overgegaan in het spel van Jerômes liefde.
Simone, wier officiële introducé hij was, stond hem al op te wachten bij de deur van het appartement. De deur was vervaardigd in de stijl van Louis XIV, gehouden in een mat lichtgrijs, de profielen ervan waren belegd met bladgoud. De smaak van vererfde bourgeoisie. Hij zag niet in hoe Simone had kunnen weten dat hij naar boven zou komen. Hij had zijn naam immers niet genoemd.
“Kom,” zei ze tegen hem. “Kom snel. Je bent laat. Ze zijn al begonnen.” Ze pakte zijn hand en draaide zich om, om hem voor te gaan. Samen liepen ze door de vestibule, door twee kroonluchters helder verlicht, in de richting van de salon. Zij met lichte, hij met zware pas over de zwart met witte plavuizen. Uit de salon kwam een mannenstem die kennelijk iets voordroeg. Een gedicht. Een gedicht mét rijm. Een gedicht mét rijmdwang. Jerôme trok Simone, die op het punt stond de salon te betreden, naar zich toe en kuste haar wild, in het volle bewustzijn te veinzen dat hij haar had gemist en naar haar smachtte.
De gastvrouw vroeg hem zijn jas uit te doen en aan de kapstok te hangen. Maar hij weigerde. Waarop zij beiden uitnodigde de salon binnen te gaan. Dat deed ze met een terloopse beweging van haar hand waaromheen een witte handschoen van glacé stak. Kennelijk had deze elegante en wereldse verschijning aan een kort introducerend gesprek geen behoefte. Het felle licht van de glazen kroonluchters weerkaatste in de parels van haar halsketting. Ze ging hen geruisloos voor de salon in.
Jerôme en Simone trokken zich weinig aan van de vriendelijke, welwillende, of juist verstoorde blikken van het publiek. Voor Simone was er een plekje, een poef van elegant suède, vlakbij het provisorische podiumpje waarop een bebaarde man op een stoel zat voor te lezen uit eigen werk. Deze man vond het nodig even te kuchen bij Simones moeizame poging zich naar haar poef te bewegen. Verder waren alle zitplaatsen bezet. Vlak voor Jerôme zat echter een jongedame, met kort plooirokje van kostbare stof, waaruit slanke benen staken, zedelijk tegen elkaar aan, haar ogen dicht, te luisteren naar de voordracht die al meer dan tien minuten duurde en maar niet wilde eindigen. Het gelaat van deze vrouw was teer en bleek en toch ook scherp van tekening. Het gezicht van een kwezelige dichteres, dacht hij. En terwijl hij haar bleef aanstaren, voelde hij de lange wandeling vanaf boulevard St. Germain des Prèz in zijn benen.
Hij deed een stap naar voren, keerde zich om en zette zich op haar schoot. Hij liet zich daarbij lichtelijk gaan, zich ietwat op haar vallen. Eerst kermde ze iets onverstaanbaars uit, maar daarna hoorde hij heel duidelijk dat ze ‘godverdomme’ riep. Daarbij waren haar eerste aanstalten om zich van zijn gewicht te bevrijden, volgens hem heel pover te noemen.
Intussen was de dichter met baard stilgevallen. Zijn ogen priemden richting Jerôme. Een woordeloze aanklacht. Het publiek keek aarzelend en onzeker van hem naar Jerôme en van deze weer naar de man op het podium. Jerôme wendde voor dat hij er gemakkelijk bij zat. Maar natuurlijk miste hij een drankje. Alvorens op te staan, om zich naar de bar te begeven, nam zijn gezicht een verontschuldigende mimiek aan. Aangekomen bij de bar, die zich achterin de salon bevond, hoorde hij wat gesnik en sussende woordjes. De barman die een whisky voor hem inschonk, keek hem met een lijp lachje aan en trachtte hem gerust te stellen: “Meneer, niet ieder meisje kan het gewicht van zulke grappen dragen.”
Het eerste glas sloeg hij in één keer achterover. Met het tweede draaide hij zich om richting het kleine podium. Een man in witte smoking kondigde geafficheerd een zanger aan; de begeleiding op piano zou worden verzorgd door de gastvrouw. De zanger die was aangekondigd, was voor hem geen vreemde. Alain Chamfort heette hij. In een ver verleden in de gunst gevallen bij Serge Gainsbourg. Diens gat gelikt! Jerome moest van deze zanger niet veel hebben. Nonchalant liep hij naar de fluwelen driezitsbank waar juist een plekje was vrijgekomen: een plekje in het midden, tussen twee dames die allebei hun décolleté gebruikten als reclameslogan. Dat was het plekje waar Chamfort kennelijk had gezeten. Daar hád Chamfort gezeten. Onderweg deed onze protagonist nog een ferme greep in een schaaltje borrelnootjes.
Toen hij eenmaal zat en de in het fluweel achtergebleven, weldadige lichaamswarmte van Chamfort onderging, zag hij Simone met bijna dwepende ogen de gulp monsteren van deze zanger. Uit diens bewegingen was op te maken dat hij klaar was voor het eerste lied. Jerôme knipoogde naar de jongedame met het tere, bleke gezicht. Aangeslagen door het voorval van daarnet probeerde zij krampachtig te doen alsof hij niet bestond.
Het eerste lied van Chamfort was een huiskamerversie van zijn grote hit Manureva. Ondertussen gooide Jerôme zijn borrelnootjes een voor een in de lucht. Met de schijnbare bedoeling ze op te vangen met zijn mond. Bij het eerste nootje hapte hij nog raak. Maar daarna wierp hij ze opzettelijk te veel naar links, zodat ze terechtkwamen in de décolleté van zijn linkerbuurvrouw. Tot aan het vijfde borrelnootje dat haar boezem met een bezoekje vereerde, had de buurvrouw nog verleidelijk naar hem gelachen. Maar na het tiende borrelnootje had haar gezicht een wezenlijk andere expressie aangenomen. Ze vroeg hem om ermee te stoppen. Eindelijk, dacht hij. Hoe lang had ze gedacht dat hij hierin zou volharden. Wat een dom schaap. Maar gelukkig had ze dan toch ingezien dat dit gedrag niet door de beugel kon.
Hij hield niet op. De grijns op Jerômes gezicht werd breder. Het volgende borrelnootje glipte behendig in de klamme spleet van haar welige boezem, en leek voor eeuwig verslonden door het weke roze vlees. Ze begon hem boos aan te kijken. Bij het volgende borrelnootje riep ze: “Stoppen, zei ik!”